CSVNPAGINA5.html:


   terug naar kaft                  naar pagina 1              naar pagina 2            naar pagina 3              naar pagina 4           naar pagina 6  

 kraft         csvnp1     csvnp2    csvnp3    csvn    csvnp6

                                    naar pagina 7            naar pagina 8

                                csvnp7    csvnp8


Bericht van het front (1)

Het belang van computerschaak onderzoek

uiterwijk

Jos Uiterwijk

Als wetenschapper word je dikwijls geconfronteerd met vragen naar de zin van je onderzoek en dat lijkt dan ook een prima uitgangspunt voor deze rubriek. Iets specifieker uitgewerkt zou je dit soort vragen in drieën kunnen opsplitsen, te weten: wat is het nut van computerschaak onderzoek voor het gebied van de kunstmatige intelligentie, de AI; wat is het nut ervan voor computerschaak programmeurs en tenslotte wat is het nut voor de schakers zelf?

Het nut voor de kunstmatige intelligentie

Deze vraag wordt meestal op een andere manier geformuleerd, namelijk in de vorm van de kernvraag: "Is computerschaak onderzoek wel AI onderzoek? ". Hierbij gaat men er enigzins impliciet van uit dat AI onderzoek zijn waarde wel bewezen heeft, maar of dat voor computerschaak onderzoek nog steeds geldt is dan de vraag. Dit laatste geeft al meteen aan dat men dat vroeger niet betwijfelde. Sterker nog, in de zestiger jaren behoorde computerschaak onderzoek tot de kern van de AI. De grootste pioniers van de AI, zoals Claude Shanon, Alan Turing, en later ook Donald Michie en John McCarthy hielden zich met computerschaak onderzoek bezig. Het nut ervan was tweeledig. Enerzijds kon men vanuit het computerschaak onderzoek veel nuttige technieken ontwikkelen die zich vanzelfsprekend ook zouden kunnen bewijzen bij het bouwen van andere slimme programma's.  Te denken valt onder andere aan een veelheid van efficiënte  zoektechnieken, aan allerlei nieuwe methoden om kennis te representeren, inclusief het opslaan van kennis in en het omgaan met kennis uit (eindspel) databases, aan het onderscheiden  van korte- en lange termijn plannen en daarmee samenhangend het ontwikkelen van lager- en hoger niveau strategieén.  Computerschaak bleek hiervoor een dermate gesachikt onderzoeksdomein dat Michie het zelfs bekroonde met het predikaat: de drosophila melanogaster (het bananenvliegje) van de AI.

Anderzijds verwachtte men vanuit computerschaak onderzoek kennis op te doen over het menselijk redeneren. De basisgedachte hierachter was dat indien men erin zou slagen om voor een dermate complex spel als schaken, waarvoor toch zeker intelligentie vereist is ("een toetssteen van het intellect", volgens Goethe), een sterk computerprogramma te ontwerpen, dat dat dan heel nuttige informatie over de werking van de menselijke geest moet opleveren. Niet voor niets hielden vooraanstaande psychologen uit de hele wereld zich met computerschaak bezig. De Amerikanen Newell en Simon probeerden mede aan de hand van hun eigen computerschaakprogramma om menselijke beslisprocessen te begrijpen. Hun latere modellen van het menselijk vermogen tot probleem oplossen (Newell en Simon, 1972) waren voor een groot deel gestoeld op dit (computer)schaak onderzoek.  En ook "onze" eigen emerites hoogleraar in de psychologie, Adriaan de Groot, heeft vanuit de vraag hoe mensen  denken zich sterk bezighouden met hoe schakers "schaakdenken" , en had vanuit die invalshoek grote intresse in computerschaak onderzoek.

Helaas is het huidige computerschaak onderzoek minder goed geaccepteerd binnen de AI. Toch zijn daar mijns insziens weinig redenen voor. Om enkele zaken te noemen  die recent in opmars zijn en waar het computerschaak wederom een uitstekend testdomein voor blijkt te zijn: parallele en gedistribueerde computersystemen; geavanceerde nieuwe zoekmethodes gebaseerd op extreem weinig domeinkennis (proof-number search) of juist veel (opponent-model search); het herkennen van bordpatronen; het representeren van lange termijn plannen m.b.v. grafentheorie. Wie de 7e Advances in Computer Chess conferentie  in Maastricht heeft bijgewoond zal aan de hand van deze en nog veel meer onderwerpen begrepen hebben dat er nog veel fijns te genieten valt op dit terrein waar ook andere gebieden van de informatica ongetwijfeld veel profijt van zullen ondervinden.

Het nut voor schaakprogrammeurs

Over het profijt  dat schaakprogrammeurs kunnen hebben van het wetenschappelijk onderzoek op dit terrein kunnen we kort zijn. Daar ik zelf toch al wat jaartjes rond loop in de arena van elkaar bestrijdende schaakprogrammeurs en ook als niet deelnemer diverse keren grote toernooien heb bijgewoond, heb ik toch heel wat gehoord van wat men zoal in programma's opneemt. Over het algemeen zijn de programmeurs niet echt terughoudend over de door hen gebruikte technieken, al worden de fijne kneepjes natuurlijk vaak achtergehouden. Het is duidelijk dat (praktisch) alle programma's nog steeds gebaseerd zijn op Shannon's (1950) raamwerk, al dan niet selectief. Verder zijn technieken als iteratief zoeken, snoeiingsmethoden (x-ß, killers, refutations, history heurestic, countermove heuristic),  extensies (schaak, slag, terugslag, matdreigingen , singular extensions), quiscence search, nullmove, en nog veel meer gesneden koek voor de meeste programmeurs (of op zijn minst heeft men er wel van gehoord). Al dit soort technieken zijn in eerste instantie voortgekomen uit het wetenschappelijk onderzoek en beschreven in wetenschappelijke tijdschriften  (ICCA Journal) of wetenschappelijke boeken (o.a. de proceedings van de diverse Advances in Computer Chess conferenties.

Computerschaak en schakers

Wellicht de grootste weerstand  tegen het computerschaak komt uit een op het eerste gezicht wellicht onverwachte hoek: de (professionele) schakers. Toch is dat niet zo verwonderlijk, want uiteraard vormt computerschaak een soort bedreiging voor hen. En het is wat al te simpel om deze bedreiging af te doen met vergelijkingen als dat hardlopers zich toch ook niet bedreigd hoeven voelen door automobielen of gewichtheffers door vorkheftrucks.  Een wezenlijk verschil is namelijk dat dat dit laatste terreinen zijn waar de mens nooit  Moeder Natuur's beste is geweest: een jachtluipaard loopt gemakkelijk drie keer zo snel als de snelste menselijke sprinter en wat kracht betreft is de mens altijd al een ondermaats wezentje geweest. Nee, het wezenlijke verschil is dat het wat schaken betreft gaat om iets waarvan de mens wel meent de beste te zijn in de natuur, namelijk het intelligent redeneren. Het is niet gemakkelijk zo'n supermatie op te geven, maar dat dan binnen zo'n tien jaar staat te gebeuren is wat mij betreft evident.

Dat het dus moeilijk ligt als de computers de sterkste mensen gaan verslaan kan ik me wel indenken, maar ik ga niet mee in andere vormen van doemdenken. Zo komen verhalen over het vernietigen van het schaakspel  doordat de computer dat zal oplossen voort uit onkunde van de bedenkers ervan. Een eenvoudige rekensom leert dat de complexiteit van het schaakspel dermate groot is dat we zelfs in onze stoutste dromen niet hoeven te peinzen over het oplossen van het spel. Natuurlijk, de intrede van de computer zal verder wel wat negatieve effecten kunnen hebben, bijv. op het gebied van correspondentieschaak of op het afbreken van partijen. ( waarvan ik sowieso geen voorstander ben). Maar de computer heeft ook veel goeds gebracht, en gelukkig beginnen de professionals dit nu ook wel te beseffen. Niet voor niets heeft de FIDE onlangs besloten schaakcomputers niet langer te weren van officiële toernooien. En terwijl Donner in 1981 nog zei dat "de computer kan helemaal niet schaken en zal dat ook nooit kunnen, althans de eerste tweeduizend jaar niet", staan de meeste grootmeesters tegenwoordig al wel welwillender tegenover computers of proberen juist actief in het computerschaak te participeren.

Hoe eindspeldatabases in de praktijk te gebruiken?

Een eminent voorbeeld van dit laatste is de Engelse grootmeester John Nunn. Ieder die zijn boek Secrets of Rook Endings (1992) kent, weet dat Nunn groot voorstander is van het gebruik van de perfecte kennis van eindspeldatabases door professionele schakers. Hij heeft het niet bij de toreneindspelen gelaten (een nieuw soortgelijk boek schijnt zelfs al weer op stapel te staan) getuige zijn bericht in het laatste nummer van de ICCA Journal (Nunn, 1993).

Nunn onderscheidt een zestal manieren waarop eindspeldatabases gebruikt kunnen worden.

1)  voor het controleren en corrigeren van bestaande eindspeltheorie. Het belang hierbij is niet om te laten zien dat de oude theoretici ongelijk hebben dan wel om de waarheid boven tafel te krijgen.

2)  het analyseren van afgebroken of beëindigde partijen.

3)  het ontdekken van nieuwe, interessante feiten binnen de eindspeltheorie door interactiefde eindspeldatbases te onderzoeken.

4)  het ontdekken van algemeen geldende nieuwe principes in bepaalde eindspelen. Dit is wellicht het interessantste voor schakers (incl. huis-,tuin-en keukenschakers), maar zeker ook het moeilijkst te verwezelijken. Grondige kennis van omgaan met databases is een vereiste, maar dat is Nunn wel toevertrouwd.

5)  het gebruik van de computer om nieuwe resultaten automatisch te genereren. Dit heeft het voordeel dat het moeizame werk door de computer gedaan wordt in plaats van door de mens. Nadeel is dat de mens goed zijn fantasie zal moeten gebruiken om te weten wat hij de computer moet laten doen. Interessante ontdekkingen  zijn zeker mogelijk, zoals Nunn ook liet zien aan de hand van de zogenaamde reciproke zugzwang posities (dat zijn posities waarbij degene aan zet verplicht zijn positie moet verzwakken).

6)  de mogelijkheid om met behulp van eindspeldatabases creatief te werk te gaan, zoals het componeren van eindspelstudies. Al heeft dit voor een speler misschien niet meteen praktisch nut, het artistieke karakter zal zeker diverse mensen aanspreken. 

In het genoemde artikel in de ICCA Journal  geeft Nunn bij elke genoemde categorie één of meer voorbeelden. Wie hier meer over wilt weten moet dit artikel maar eens nalezen. Ik volsta met het eenvoudigste voorbeeld van een drietal eindspelstudies, waar u (met of zonder computer) de tanden op stuk moet bijten. 

test1

 

Loper of Paard?

Dan wil ik tenslotte iets vertellen over een ander artikel in het laatste nummer van de ICCA Journal, en weer van een grootmeester. In dit artikel doet Gennady Timosjtsjenko verslag van een kwantitatief onderzoek naar de relatieve sterkte tussen loper en paard. Het aardige van dit artikel is dat de resultaten hiervan direct toepasbaar zijn door de tweede genoemde categorie potentiële gebruikers, namelijk de schaakprogrammeurs. Timosjtsjenko heeft zich laten leiden door een van Capablanca's bekendste boeken, Chess Fundamentals, waarin ingegaan wordt op de relatieve sterkte van loper en paard. afhankelijk  van de overige kenmerken van de stelling. Uitgaande van een uitgebreide database van partijen (zo'n 150.000 stuks, grotendeels grootmeester partijen) heeft Timosjtsjenko een kwantitatieve onderbouwing gegeven  van de meeste van Capablanca's stellingen. Het is aardig om te zien dat Timosjtsjenko tevens eens uitprobeert wat een aantal commerciële schaakprogramma's van deze theorie begrepen hebben. Hij heeft Chesmaster 2100, Fritz 2 en Chess Genius 1 een aantal teststellingen voorgelegd, waarin alle door Capablanca genoemde kenmerken voorkomen. Alleen Chess Genius 1 geeft redelijke resultaten. Tenslotte geeft Tomosjtsjenko de belangrijkste resultaten weer in een aantal eenvoudige, direct toepasbare richtlijnen voor de dynamische waardering van het paard in een computerschaak programma:

-    bij het begin van de partij is een paard iets meer waard dan een loper;

-    het bezit van het loperpaar dient gewaardeerd te worden door een bonus;

-    de waarde van het paard moet met zo'n 5-10% teruggebracht worden na dameruil;

-    de waarde van het paard moet met zo'n 2-3% teruggebracht worden bij iedere pionafruil;

-    de waarde van het paard moet met zo'n 3-5% vergroot worden bij iedere torenruil.

Wie meer informatie over dit onderwerp wil hebben moet het artikel in de ICCA Journal maar lezen.

Wat gaat gebeuren

Ik ben me ervan bewust dat dit artikeltje veel filosofischer van aard was dan wellicht gedacht. Maar dat hangt samen met het gegeven dat dit de eerste aflevering in deze rubriek is


Grootmeester John Nunn over computerschaak.

Jeroen van den Berg

Vrijwel alle beroepsschakers maken tegenwoordig wel op een of andere manier gebruik van de computer. Meestal zal dat zijn in de vorm van een database: om de opening of het eindspel bij te spijkeren. Dat is tamelijk een passieve vorm. De Engelse grootmeester John Nunn vormt hierop de uitzondering. Hij is waarschijnlijk één van de weinige grootmeesters die echt iets van computerschaak begrijpt. En die daar ook iets mee doet.Wie is John Nunn? Welke plaats neemt hij in de schaakwereld in? Wat vindt hij van de recente ontwikkelingen? Computerschaak had een uitvoerig gesprek met hem, dat zich niet beperkte tot de schakende computer alleen.

John Nunn is een van de eerste grootmeesters geweest die zich serieus met computerschaak heeft beziggehouden. Dit heeft onder andere geresulteerd in zijn vorig jaar (1993) verschenen boek Secrets of Rook Endings, waarin hij de waarheid achterhaalt van alle denkbare stellingen met Koning + Toren + pion tegen Koning + Toren. Het boek werd in het algemeen zeer goed ontvangen, hoewel de grootmeester  Curt Hansen in New in Chess nr. 8 1992 door middel van een ingezonden brief liet weten dat Nunn bezig was het schaakspel dood te maken. Dat Nunn zich door Hansen niet van de wijs heeft laten brengen blijkt wel uit het feit dat er de komende twee jaar (1994-1995) opnieuw twee van dergelijke boeken zullen verschijnen, te weten Secrets of Pawn Endings en Secrets of Minor Piece Endings. Hoewel de Engelse grootmeester een sterke band met de computer blijkt te hebben, vindt hij dat de machines niet in de toernooipraktijk mogen worden toegelaten. "De FIDE moet computers uit alle toernooien verbannen", aldus Nunn.

Het interview vindt plaats op de tweede rustdag in Monte-Carlo waar Nunn meedoet aan het door Joop van Oosterom gesponserde Amber-toernooi. Afwisselend werden rapid- en blindpartijen gespeeld. Nunn heeft met name in het begin moeite gehad met het blindschaken, en uiteindelijk legt hij beslag op een gedeelde 8e/9e plaats in het gecombineerde eindklassement, met 9½ punt uit 22 partijen. Als we het hebben over de invloed van computers op zowel topspelers als clubspelers merkt Nunn op dat over dit onderwerp de volgende driedeling gemaakt moet worden:

1. Het spelen tegen schaakprogramma's zoals bijvoorbeeld de ChessMachine, Chess Genius of Fritz 2.

2. Eindspeldatabanken.

3.Databanken zoals ChessBase en NicBase, die gebruikt kunnen worden als hulpmiddel bij voorbereiding of bij het maken van een artikel.

Over de speelprogramma's zegt Nunn: "Voor de grootmeesters hebben deze programma's weinig effect?! (1993) Oké, ze zijn erg goed in snelschaken, maar desondanks hebben ze enkele zeer serieuze gebreken in hun spel, op veel fronten. In bepaalde tacktische stellingen zijn ze daartegen wel goed. Ik gebruik de computer dan ook om mijn analyses te controleren. Daar zijn ze bruikbaar. In sommige scherpe stellingen zijn ze gewoon hopeloos. Dan kunnen ze niet de balans opmaken tussen bepaalde materiaal verhoudingen en daarbij aansluitende aanvalskansen. Als je bijvoorbeeld stellingen met de vergiftigde pion in de Najdorf invoert, staat zwart volgens de computer voortdurend gewonnen (lacht hier hard). Hier heb ik dus weinig hulp van de computer. Al met al denk ik dat voor een grootmeester een speelprogramma in negentig procent van de gevallen nutteloos is. Voor een clubspeler ligt dat anders, daar kan een computer belangrijk zijn. Voor ongeveer 50 euro kan men een programma (Hiarcs, Fritz, Shredder, Rybka) kopen. Deze programma's kosten niet veel maar spelen veel beter dan de clubspeler. Natuurlijk, een computerprogramma is misschien niet zo leuk als tegenstander in vergelijking met een mens, maar het is wel een heel praktische tegenstander. Je kunt in ieder geval spelen wanneer je wilt. Volgens mij is de invloed van deze computerprogramma's op schaken heel groot.

Zijn er ook negatieve invloeden?

Nunn: "Ik denk het niet, maar het is altijd makkelijk om "ja" te zeggen, zie mijn discussie met meneer Hansen. Zelf vind ik het niet zo'n goede zaak als een potentiële clubschaker geen lid van een club wordt, omdat hij thuis een computer heeft".

Over de eindspeldatabanken zegt Nunn: "Na Secrets of Rook Endings" heb ik een tweede deel geschreven, Secrets of Pawn Endings. Volgend jaar verschijnt nog een derde deel, Secrets of Minor Piece Endings. De dame-eindspelen doe ik niet, want die zijn veel te gecompliceerd. De invloed van deze databanken is volgens mij beperkt. Alle eindspelen van Koning + Toren + pion tegen Koning + Toren komen in de praktijk vaak voor. Die eindspelen zijn dus erg belangrijk. Zelfs als dit eindspel nooit op het bord komt, is het belangrijk, omdat het vaak in berekeningen tijdens een partij getaxeerd moet worden. In eindspelen met in totaal zes stukken ligt de zaak heel anders.  Bedenk eens hoeveel van zulke eindspelen er zijn. Honderden. Van die eindspelen kun je niet zeggen dat ze dezelfde waarde hebben als de eindspelen Koning + Toren + pion tegen Koning + Toren, Koning + Paard + pion tegen Koning + Loper + pion is veel minder belangrijk dan Koning + Toren + pion tegen Koning + Toren. Er zijn wel veel Interessante posities denkbaar, maar dat heeft meer iets van curiositeit dan praktische studie. Kortom, aan die eindspeldatabanken zijn enkele beperkingen verbonden". 

Over databanken als ChessBase en NicBase zegt Nunn: "Iedereen aan de top heeft tegenwoordig een computer. Hoewel, Tiviakov zegt dat hij geen computer heeft..... Hoe dan ook, de meesten hebben er een. Het is tegenwoordig in een oogopslag te zien wat iemand speelt. Het gevolg is dat spelers meer gaan variëren in hun openingen. Als je steeds hetzelfde speelt, is het nu wel erg gemakkelijk voor een tegenstander om zich voor te bereiden". Nunn staat bekend als een echte e4 -speler. Betekent dit dan niet dat het juist op hem makkelijk voorbereiden is? Nunn: "Nee, dat is niet helemaal waar. Ik varieer regelmatig binnen mijn systemen. Zo speel ik tegen het Siciliaans af en toe 2.c3. Dat doe ik ook met andere openingen, zoals de Najdorf. Soms speel ik 6.Le3, soms 6.f4, of een enkele keer iets totaal anders. 

Beschouw je het als een verrijking voor het schaken dat een topgrootmeester vandaag de dag al deze middelen tot zijn beschikking heeft bij de voorbereiding? 

Nunn: "Binnen die driedeling die ik net maakte, beschouw ik ChessBase en NicBase als een hulpmiddel. Toen de Informator voor de eerste keer verscheen, was het waarschijnlijk  ook een revolutie. Daarvoor moest je alle toernooibulletins te pakken zien te krijgen. Toch is het niet een fundamentele verandering, dat geldt ook voor die eindspeldatabanken. De grootste invloed komt van de kant van die speelprogramma's".

Wat kunnen we in de toekomst nog van computers verwachten?

Nunn: "Dat is moeilijk te zeggen. Het hangt er ook een beetje vanaf hoe de toernooien georganiseerd zullen worden. Ik denk dat we er wel vanuit kunnen gaan dat er binnen een aantal jaren programma's zullen zijn die een sterkte van 2500 of 2600 halen. Deep Trought heeft waarschijnlijk al een sterkte die ligt tussen de 2450 en 2500. Ook de commerciële programma's zullen sterker worden. Kijk maar eens naar de programma's die meedoen aan het AEGON-toernooi. Natuurlijk, de computers zijn daar duidelijk in het voordeel. De partijen worden tamelijk laat in de avond gespeeld, wat ongunstig voor de mensen is. Ook het speeltempo is in het voordeel van de computers. Desondanks heb ik gezien dat sommige machines heel goed hebben gespeeld. Enkele sterke spelers werden verslagen en als zo'n machine 5 uit 6 haalt, zoals vorig jaar, dan mag je aannemen dat zijn niveau op ongeveer 2400 ligt".

Op de vraag hoe Nunn zich voorbereidt op het AEGON-toernooi komt een heel eerlijk antwoord. Hard lachend zegt hij: "Ik bereid me helemaal niet voor". Tijdens het toernooi verandert dit niet wezenlijk. Nunn:"Je kunt je niet goed voorbereiden, want ze hebben geen openingsrepertoire. De operators hoeven maar op een knop te drukken, en hij speeltweer totaal andere dingen. Het is wel handig om een speciaal repertoire  samen te stellen, dat je alleen gebruikt voor het spelen tegen computers. Gewoon, hun zwakke punten opzoeken. Zelf speel ik in ieder geval anders tegen computers dan tegen mensen. 

Maar is het juist niet een leuke uitdaging om computers op hun eigen terrein op te zoeken en ze dan te verslaan?

Nunn, Lachend: "Nee. Ik vind het ook niet leuk om Mike Tyson uit te dagen voor een bokswedstrijd. Dan, verder over het toernooi pratend: "Het is een interessant toernooi. Wat ik daarentegen niet leuk vind is dat computers ook bij gewone toernooien toegelaten worden. Dit is absoluut verkeerd. AEGON is wat anders; als dat idee je niet aanstaat, kun je de uitnodiging afslaan, maar het is teminste duidelijk dat je uitsluitend tegen computers speelt. In een normaal toernooi moet je alleen tegen mensen spelen. Het zal denk ik binnen niet al te lange tijd gebeuren dat computers uit normale toernooien verbannen worden. Een paar jaar geleden deden twee computers mee aan het Britse snelschaakkampioenschap. Glen Flear, die zijn titel verdedigde, verloor van een computer. De computers deden eigenlijk buiten mededinging mee, wat min of meer erkend was vanwege het feit dat zij geen prijzen konden winnen. Op de een of andere manier was de computerdus niet een echte deelnemer, maar zij konden wel datzelfde toernooi beïnvloeden. De FIDE zou hier veel scherper tegen moeten optreden door computers nooit meer bij dergelijke toernooien toe te laten. Ik ben dan ook sterk voor verbanning, maar eerlijk gezegd denk ik dat dit ook zal gebeuren.

Maar hoe moeten wij onze krachten dan met die van de computer meten?

Nunn: "Als je nu in een normaal toernooi tegen een computer speelt, zit je al bij voorbaatin een heel ongunstige situatie. Zeker als een grootmeester tegen een computer speelt,komt iedereen bij dat bord kijken. Er ligt toch meer druk op de speler, die alleen maar groter wordt als je ook nog eens een slechte stelling krijgt. De enige manier om een ware inschatting te maken van de krachtsverhoudingen tussen een mens en een computer is zoiets als het AEGON-toernooi: de helft van de deelnemers bestaat uit computers en de andere helft uit mensen. Maar de partijen moeten dan wel om 14:00 uur beginnen en volgens het normale speeltempo gespeeld worden. Alleen dan kunnen we erachter komen wat precies de sterkte van een computer is". 

En wordt de computer wereldkampioen?

Nunn, lachend: "Nee, want ze wordentoch verbannen!" Dan, serieuzer: "Ze kunnen heel sterk worden, bijvoorbeeld als de hardware krachtiger wordt. Aan de andere kant valt het op dat de meest recente programma's niet meer zo revolutionair sterker zijn als daarvoor vaak het geval was. Kennelijk was het niet zo moeilijk om de computer naar een niveau van 2300 te tillen, maar om hem wereldkampioen te maken is een erg lastige opgave".

Welke invloed zullen de computers hebben op correspondentieschaak?

Nunn: "Correspondentiespelers kunnen zelf ook niet goed een algemene houding ten aanzien van het gebruik van computers aannemen. Sommigen vinden het onethisch  om een computer in te zetten, anderen vinden het juist volstrekt logisch, omdat ook alle encyclopedieën en Informators gebruikt mogen worden. Zelf denk ik dat computers het correspondentieschaak binnen niet al te lange tijd zullen vernietigen".

Wat vind je leuk en minder leuk aan het spelen tegen computers?

Nunn: "Verwarrend is de manier waarop ze zich in moeilijke stellingen verdedigen. Een mens maakt meestal wel een fout als hij in een partij voortdurend onder zware druk heeft gestaan. Een computer doet dit niet, die vindt steeds weer een uitweg. Het gevolg is vaak dat je zelf een fout maakt, dat vind ik toch een heel opvallend verschil ten opzichte van het spelen tegen een mens. Wat ik teleurstellend vind is dat ze tijdens een interessant middenspel weleens de dames ruilen om af te wikkelen naar een glad verloren eindspel. Dan taxeren ze het eindspel volledig verkeerd".

Hoe kunnen de programmeurs dit in de toekomst veranderen?

Nunn: "Het is niet te garanderen dat dit ooit verandert. Op deze terreinen maken mensen ook fouten. Het op de verkeerde momenten afruilen van stukken is één van de meest gemaakte fouten. Aljechin schreef geloof ik weleens dat dit een van de grote fouten van Bogoljubow was. Hij zou volgens  Aljechin in hun match vaak op onterechte wijze de dames hebben geruild. Als Bogoljubow zo'n fout kon maken, vind ik het niet zo erg als de computer dat ook doet".


Göran Grottling: de geestelijke vader van de Zweedse ratinglijst.

Kijkt u ook iedere keer even? Hoe het gaat met uw eigen schaakcomputer?  Welke plaats hij nu weer inneemt op de ranglijst? Of het nieuwe programma van uw favoriete programmeur de koppositie heeft overgenomen? Welke reden u ook heeft, het is duidelijk dat de Zweedse ratinglijst zich een vaste plaats heeft verworven in de wereld van het computerschaak. Tien jaar bestaat dit overzicht nu. Computerschaak sprak met Göran Grottling, de geestelijke vader van de Zweedse ratinglijst.

Minze bij de Weg

Liefhebbers van computerschaak zijn vaak een beetje cijfergek. Dat blijkt uit de reacties die dit blad en andere computerschaakbladen ontvangt. Het is dus niet vreemd dat een flinke groep computerschakers iedere keer met belangstelling uitkijkt naar de Zweedse ratinglijst. Amateurs, cijferaars en natuurlijk niet in de laatste plaats fabrikanten willen graag weten wat er deze keer weer aan de lijst is veranderd. Voor wie het nog niet weet: de Zweedse ratinglijst is voor computers zo ongeveer wat de ELO ratinglijst is voor de menselijke schakers. Het biedt een overzicht  van de relatieve en absolute speelsterkte van de schaakcomputers en programma's die op de commerciële markt verkrijgbaar zijn (of waren). Niet commerciële produkten zoals Deep Trought zijn niet op de lijst te vinden. De resultaten zijn gebaseerd op partijen van computers onderling; resultaten van computers tegen mensen worden niet meegeteld. Toch spelen de scores die de computers tegen mensen behalen indirect wel een rol. Ieder jaar wordt de lijst geijkt, dat wil zeggen dat de cijfers worden aangepast aan de resultaten die computers tegen mensen hebben betaald. Daardoor is het in het verleden een paar keer gebeurd dat de lijst als geheel naar beneden is bijgesteld. Als een soort Von Munchhausens hadden de computers elkaar naar een voor die tijd onvoorstelbare hoogte opgetild.

Monnikenwerk

Denk overigens niet dat het maken van zo'n lijst een kleinigheid is. Er zijn in de loop der jaren vele tienduizenden uren testwerk  in gaan zitten. De lijst die gepubliceerd wordt bevat meestal zo'n vijftig apparaten en programma's, maar in werkelijkheid is de lijst naar enkele honderden gegroeid. Programma's die niet meer verkrijgbaar zijn halen de publiciteit niet meer; hun resultaten blijven echter in de samenstelling van de lijst wel meetellen. In totaal hadden de computers op 6 maart 1994 36.072 partijen gespeeld. Over monnikenwerk gesproken!

Hoe komt de lijst tot stand? Welke problemen komen daar bij kijken? Welke criteria worden er aangelegd? Daarover sprak Computerschaak met Göran Grottling, de geestelijke vader van de Zweedse ratinglijst. Grottling is journalist  bij de Zweedse krant Göteborgs Posten en woont in Lindome, een kilometer of vijftien ten zuiden van Göteborg. Hij is lid van de Zweedse tegenhanger van de CSVN, de SSDF, of Svenska Scackdatorföreningen om het precies te zeggen.

Avondje rekenen

De grondslag van de ratinglijst lag in 1984. Göring Grottling: "Wij discussieerdentoen over de vraag hoe goed de computers waren. Je las in die tijdadvertenties waarin een rating van meer dan 2000 werd beloofd en we zagen ook resultaten uit het buitenland. Ik heb toen iets over de Elo-rating geleerd en ben op een avondje met pen, papier en een rekenmachine aan de slag gegaan. Aan het eind van die avond had ik een lijst met een handvol computers. Iets als de Constellation of de Prestige stond aan kop". Die lijst werd gepubliceerd in Ply , het Zweedse computerschaakblad. Het zou het begin zijn van een reusachtig karwei. In het begin viel dat overigens nog wel mee. G.G.: "We hadden toen niet veel partijen en haalden de resultaten overal vandaan. We zijn blijven verzamelen en langzamerhand kwamen er ook steeds meer testers bij. Zo bouwden we een systeem op. De verwerking ging al gauw niet meer met de hand. Iemand heeft voor ons een programma geschreven en nu rolt de nieuwe lijst in een paar seconden uit de computer. "Na een paar jaar werd die lijst ook elders gezien en gepubliceerd. Vanaf dat moment moesten we voorzichtiger zijn. Omdat we geen controle hadden op de partijen van buitenaf hebben we die eruit gegooid en zijn we opnieuw begonnen. Niet dat we die resultaten wantrouwden, maar op de eigen mensen hebben we controle. Je kent ze en je kunt hun resultaten vergelijken". 

Hoe gaat dat testen in zijn werk?

"We verspreiden de machines en programma's als het kan over vele mensen. Op die manier kun je de resultaten van de een vergelijken met die van een ander. Het systeem is gebaseerd op vertrouwen, je kunt niet iedereen gaan controleren. Maar we houden regelmatig telefonisch en schriftelijk contact met de testers, dus je hebt behoorlijk controle op wat er gebeurt. We hebben zo'n twintig a dertig mensen die veel testwerk doen. Ze spelen tenminste een partij per dag. Daarnaast zijn er anderen die wat minder doen. In al die jaren zijn het er misschien zo'n honderd geweest. De testers zijn vaak studenten, gepensioneerden of anderen die over veel tijd beschikken. Een voorwaarde is dat ze geen commerciële banden hebben. Het gebruikte tempo is 40 zetten in 2 uur, daarna 20 zetten per uur. De meeste testers spelen door tot mat. Volgens mij hoeft dat niet, want op een zeker moment is wel duidelijk dat ook een computer wint. Maar het is wel belangrijk je niet ophoudt op een moment waarop een mens dat doet. Bij een computer kan er dan nog heel wat gebeuren. Natuurlijk zal er wel eens iemand te vroeg met een partij stoppen, maar door de vele partijen die we spelen wordt zoiets vanzelf gecorrigeerd".

Te serieus

Op die manier ontstaat er dus een redelijk betrouwbaar beeld. Het moet Grottling echter wel van het hart, dat de resultaten vaak veel te serieus worden genomen.  "De mensen nemen de rating vaak te letterlijk. Tien of twintig punten verschil zegt natuurlijk niets. We zeggen altijd: kijk naar de foutenmarge. Deze lijst is gemaakt voor mensen die er verstand van hebben. We publiceren de uitkomst wel altijd, ook als het teveel of te weinig lijkt. Soms heb je een beetje pech in het begin, maar dat moet dan maar". Een bekent voorbeeld daarvan was de Mephisto Polgar; het programma kwam veel te hoog binnen, en kelderde vervolgens opzienbarend. Het zal een van de ervaringen zijn geweest die ertoe leidde om de resultaten niet al te snel bekend te maken. G.G.: "Toen we begonnen dachten we dat veertig partijen een redelijke betrouwbaar beeld boden, maar later hebben we dat aantal van veertig naar honderd gebracht".

Kritiek

De Zweedse lijst wordt nu bijna overal in de wereld gebruikt, in de West-Europese landen, in Rusland en in Argentinië. Bijna alle tijdschriften op het gebied van het computerschaak nemen de lijst volledig of in ingekorte vorm over. Volgens Grottling wordt de lijst als het meest betrouwbare overzicht beschouwd. Dat neemt niet weg dat er af en toe kritiek wordt geuit. Vanzelfsprekend komt die vooral van de kant van de fabrieken.  G.G.: "Af en toe hebben we wel aanvallen te verduren gehad. Bijvoorbeeld van Peter Auge van Novag. Ze vonden bij Novag dat we de Novag Super Forte en de Super Constellation onderschatten. Ze vonden ook dat we met partijen tegen mensen moesten werken. Dat kon natuurlijk niet. Maar ik begrijp dat wel, want de Novags behaalden zo leek het tegen mensen vaak betere resultaten dan tegen andere computers". Hoe ver die aanvallen soms gingen vertelde Grottling een paar jaar geleden in een intervieuw met het Oostenrijkse computerschaakblad Modul was een artikel verschenen van een zekere Pordzik over de Novag Super Expert B. De kritiek die daarin werd geuit kwam volgens Grottling vrijwel woordelijk overeen met de tekst van een brief, die hij ontvangen had van Novag topman Peter Auge. Als om te benadrukken dat er van vooringenomenheid absoluut geen sprake was voegt hij daar nog aan toe: "Ik was toen zelf een Novag fan; ik hield van de stijl van de apparaten". Ook met de andere fabrikanten was het niet altijd koek en ei. G.G: "We hadden ook een discussie met mensen van Saitek. Het ging om de versie waarmee we speelden. En we hebben ook verschillende keren problemen met Fidelity gehad. In de tijdschriften werden we zowel verdedigd als aangevallen. Thorsten Czub (een Duitse publicist op het gebied van schaakcomputers), denkt bijvoorbeeld dat we door Hegener + Glaser (de fabrikant van de Mephisto computers), zijn betaald. Maar dat is onzin. We hebben nooit iets van iemand gekregen". Om de keerzijde van de medaille te laten zien voegt hij daaraan toe: "Als het hen goed uitkwam hebben de fabrikanten wel van de resultaten gebruik gemaakt. TASC bijvoorbeeld was erg snel met het zenden van vier Chessmachines".


CSVN-bestuur presenteert beleidsplan

Dit document komt voort uit de wens van het bestuur om zijn huidige activiteiten te toetsen aan zijn doelstellingen en om richting te geven aan toekomstige activiteiten. Zoals zal blijken is het beslist geen omwenteling , maar meer een bevestiging en een handvat om doelmatiger te kunnen functioneren. In de laatste najaarsvergadering is toegezegd, dat het bestuur in de voorjaarsvergadering over de voortgang ten aanzien van het beleidsplan zou rapporteren. Dat wat hier voor u ligt is een momentopname van een beleidsplan waarin de doelstellingen, randvoorwaarden en enkele achtergronden vastgelegd zijn, maar concrete acties nog ter discussie staan. 

Alvorens keuzes te kunnen maken is het noodzakelijk eerst enkele definities, doelstellingen en randvoorwaarden te formuleren.

Definitie:computerschaak = schaken door computers 

Hieronder vallen dus schaakcomputers en schaakprogramma's inclusief eindspeldatabases waarin het zetkeuzeprobleem geïmplementeerd is, en al hun verrichtingen, eigenschappen en achtergronden. Hieronder vallen niet zuiver administratieve programma's voor de schaker, zoals ELO rating berekening, competitie-indelingsprogramma's programma's die half automatisch schaakdiagrammen vormgeven en passieve partijen - of openingenverzamelingen met uitsluitend zoek-, afdruk- en naspeelmogelijkheden. Om niet in een Babylonische spraakverwarring te geraken hebben we dus een tweede definitie nodig.

Definitie; applicatie voor de schaker = toepassingsprogramma dat geen zetkeuze doet, maar wel nuttig is voor de schaker of schaakorganisator.

Doelstellingen en afgeleiden

Deze zijn:

* Bevorderen van de ontwikkeling van het computerschaak door:

Continuïteit  van het Nederlands Kampioenschap computerschaak te waarborgen;

Continuïteit van overige computerschaakevenementen te bevorderen;

Gereglementeerde toepassing van computerschaak te bevorderen;

Het bevorderen van goede communicatie tussen hen die de ontwikkelingen realiseren (ontwerpers, programmeurs en onderzoekers)

* Informatie vastleggen en verstrekken over computerschaak en applicaties voor de schaker. 

-Geschiedschrijving dankzij onze publikaties;

-actuele documentatie;

-volgen en publiceren van de ontwikkelingen;

-realiseren van meerwaarde van computerschaak voor de leden dankzij informatie en ondersteuning.

Randvioorwaarden

* We blijven een vereniging, onafhankelijk en onbevooroordeeld.

* De vereniging blijft financieel gezond met een laag risico dankzij voldoende leden, respectievelijk een gematigd verloop. 

* Het bestuurswerk blijft vrijwilligerswerk.

Sterke punten van de vereniging

De inhoud van Computerschaak, Nederlands Kampioenschap computerschaak, AEGON  mens-computer toernooi, een trouwe ledenkern, een stabiel bestuur.

 Zwakke punten

Een vrijwillig bestuur, passieve leden, een redacteur, persoonlijk contact met de leden ontbreekt, onvoldoende parate kennis over commercieel verkrijgbare zaken, een low profile bestuur. 

Kansen

AEGON, PC-programma's, evenementen  voor leden en een gerichte publiciteit bieden de vereniging kansen. 

Bedreigingen

Bedreigingen voor de verenigingen zijn o.a; een dalend ledental, minder deelnemers bij het ONK, vergrijzing van de leden, afnemende interesse (computerschaak is niet nieuw meer). 

Achtergronden

Wie zijn de potentiële leden?

1.Mensendie de regels van het schaakspel kennen (1.500.000 Nederlanders!), kwantiteit.

2.KNSB leden, kwaliteit.

3.Computerhobbyisten; eigenlijk alleen zij die tot 1 behoren.

Wie zijn onze huidige leden? 

1.Speelsterkte: gemiddelde rating vergelijkbaar met het gemiddelde KNSB-lid.

2.KNSB leden (50 procent)

3.Dezelfden als tien jaar geleden....(weinig verloop: grote trouwe kern).

Voor deze groep geldt dat ze ongedifferentieerd is: grote geografische spreiding, diverse inkomensgroepen, zowel ouderen die met de schaakcomputer spelen als jongeren die met de PC spelen of programmeren.

Waarom blijft men lid?

1.Inhoudelijke kwaliteit van het blad Computerschaak.

2.Activiteiten van de CSVN

Welke treds zijn te herkennen?

1.Er worden veel minder schaakcomputers verkocht dan vroeger.

2.PC programma's worden steeds belangrijker; steeds meer mensen hebben een PC die bovendien voldoende  rekenkracht heeft.

3.Natuurlijk schaken computers, so what? Niemand vindt het nog bijzonder. 

4.Administratieve toepassingen nemen toe.

Beleidsopties ontwikkeling

Toernooivorm Nederlands Kampioenschap optimaal houden respectievelijk maken, vorm mens-computer toernooi, vorm snelschaaktoernooi, introductie andersoortig toernooi?, computers binnen de KNSB, gebruik van ëlectronic mail" voor efficiënte communicatie en houden van bijeenkomsten. 

Beleidsopties ledenwerving en informatie verstrekking

Mogelijke strategieën voor benadering:

1.kwantiteit: aansluiten bij de behoefte van de toevallige gebruiker van een schaakprogramma of -computer.

Alleen te benaderen via algemene bekendheid van de CSVN. Vergroting hiervan is zeer moeilijk of kostbaar. De mensen die reageren zullen waarschijnlijk een groot verloop vertonen.

2.Aansluiten bij de behoefte van de bewuste koper/gebruiker van een schaakprogramma of -computer.

De groep is redelijk groot en redelijk goed te benaderen via SchaakMagazine en tijdschriften; misschien ook via schaakcomputer en -programmaverkopers.

3.Kwaliteit: aansluiten bij de behoefte van de sterke schaker. De sterke schaker heeft meerdere abonnementen op schaaktijdschriften en is op zoek naar gespecialiceerde info, niet alleen computerschaak, maar ook naar schaakdatabases en administratieve programma's voor wedstrijdleiders. SchaakMagazine wordt beter gelezen door sterkere spelers dan door zwakkere. Andere schaaktijdschriften zijn zelfs zeer gericht op deze groep. De groep is de moeite waard, maar wel klein.

Hoe halen we iemand over de drempel?

1.Inhoudelijke kwaliteit van het blad.

2.Lay-out van het blad.

3.Advertentie of artikel in SchaakMagazine.

4.Advertentie of artikel in een ander schaaktijdschrift.

5.Advertentie of artikel op computernetwerk, nieuwsgroepen.

6.Advertentie of artikel in een opinieweekblad of computerweek of -maandblad.

7.Verschijning bij de HCC dagen.

8.Verschijning bij en de organisatie van schaaktoernooien, Max Euwe Centrum, Nederlands Kampioenschap Computerschaak, Computerolympiade, Diverse evenementen.

Voor 3 tot en met 6: een artikel dat inspeelt op de latende behoefte van de lezer  van dat tijdschrift (op het moment dat het iemand uitkomt een partij spelen; de eigen speelsterkte opkrikken; partijen van sterke spelers begrijpen door middel van computeranalyse; begrijpen hoe een schaakcomputer werkt; correspondentie over computerschaak) zeer goed voorbereiden en wegen.